Gisteren -alweer- tot de onheilspellende constatatie gekomen dat ondergetekende oud aan het worden is. Op weg naar de wekelijkse afsluitende Duvel een oud-leerling ontmoet die ik in het eerste jaar van mijn lesgeven op SA de wondere geheimen der Franse taal heb mogen bijbrengen in zijn eerste jaar secundair. Hij was toen het prototype van de deugnieterige Turk. Wreed clever, op slinkse wijze. Geen dommerik, maar geen student, wel studentikoos. Het jaar nadien, in ons beider tweede jaar, was voor ons allebei een hels jaar. Hij geweldige prépuber, de rest van de klas ook geen lachertje en ik regelmatig aan het eind van mijn latijn. Bij aanvang van het derde jaar kroop een duidelijk gevoel van onbehagen over de wervelkolom toen bleek dat de volop puberende Turk ook dit jaar weer in één van mijn klassen zat. Regelmatig pedagogisch over de schreef gegaan, veel in de clinch gelegen, elkaar voortdurend getest en op de rand van de afgang gebracht. Het heeft ons allebei een volledig jaar gekost om het voorafgaande te plaatsen en te verwerken.
Gisteren dus riep en wenkte bovengenoemde jongen me naar de overkant van het plein. Jongen, zeg ik, maar het is ondertussen een stevige, niet on-knappe (in hoeverre dat mannen dat van elkaar zeggen kunnen) en potige kerel geworden. Volwassen geworden, geleerd van zijn stommiteiten en vooral, zichzelf duidelijk geen enkel verwijt te maken. Goed beseffend dat hij kansen heeft laten liggen, maar volledig vrij van schuldgevoel. Trots dat hij in het zesde jaar zit, bijna afstudeert, het overmoedige gevoel de wereld aan de voeten te hebben liggen.
Ik zei op het genante af dat ik best wel trots was op hem, trots op waar hij zichzelf had weten te brengen. Ondanks onze verschillen en botsingen had hij zich altijd keurig dat doel voor ogen gesteld, en daar was tegenwoordig wel wat culôt voor nodig.
Verfrissend gesprek, elkaars littekens erkennend en respecterend. Op het einde zei hij iets wat mijn 'dag van de leerkracht' geslaagd maakte. "Meneer, weet ge wat mij opviel bij het begin van het schooljaar? Dat er eigenlijk in die zes jaar niemand dichter bij ons stond dan gij. Gij waart precies altijd kei-geïnteresseerd in 't geen da wij dachten. Uw lessen waren ook altijd zo anders, ge wist op voorhand nie wat er nu weer ging komen. Da was soms wel lastig, maar ge hield onze kop wel wakker."
"u, niet gij..." schoot er door mijn hoofd. Ik heb 'm maar niet verbeterd...
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten